Hierna worden enige algemene vragen behandeld die voor de overheid van toepassing kunnen zijn in deze coronacrisis.

1. Welke mogelijkheden bestaan er om tijd te winnen ten aanzien van het beslissen op een nieuwe aanvraag?

De wet regelt de termijn waarbinnen op een aanvraag moet worden beslist. In hoofdzaak regelt de Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) dat zo’n termijn in een bijzondere wet staat. Ontbreekt een termijn in die bijzondere wet, dan geldt het uitgangspunt van een redelijke termijn (8 weken). Buiten bijzonderheden kan de termijn om te beslissen worden opgeschort (4:15 Awb). De overheid kan zich ingevolge dit artikel beroepen op overmacht waardoor zij niet in staat is te beslissen op een aanvraag. Het is goed denkbaar dat een bevoegd gezag zich in de situatie waarin het als gevolg van het uitbreken van het coronavirus niet op tijd op een aanvraag kan beslissen, (met succes) beroept op dit overmachtsartikel. Wel moet goed worden gemotiveerd waarom de coronacrisis in dit bijzondere geval leidt tot een onmogelijkheid te beslissen op de aanvraag en derhalve moet deze mogelijkheid niet lichtzinnig worden opgevat. Nu (nog) geen sprake is van een totale lock down kunnen veel processen binnen overheden gewoon doorgaan en lijkt het niet vanzelfsprekend dat een onmogelijkheid bestaat te beslissen op een aanvraag. Opvallend is dat de Afdeling advisering van de Raad van State in haar advies ten aanzien van het wetsvoorstel “Spoedwet COVID-19 Justitie en Veiligheid” heeft overwogen dat “in het algemeen gesteld kan worden dat de coronacrisis snel zal leiden tot overmacht”. Dit zal in ieder geval van geval tot geval moeten worden beoordeeld.

Wanneer u als bevoegd gezag derhalve moeite heeft in deze omstandigheden snel tot besluitvorming te kunnen komen, kunt u onderzoeken of het bevoegd gezag zich in de gegeven omstandigheden wellicht kan beroepen op overmacht.

Bovendien bestaan de volgende mogelijkheden om de beslistermijn op aanvragen te verlengen: 

  1. U vraagt aan de aanvrager uitstel en de aanvrager stemt daarmee in (4:15 Awb);
  2. Bij aanvragen die incompleet zijn stelt u de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag aan te vullen. De beslistermijn wordt opgeschort tot het moment dat de aanvraag op een juiste manier is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken (4:5 Awb);
  3. Wanneer de vertraging aan de aanvrager kan worden toegerekend (4:15 Awb);
  4. In geval van verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur kan naast een eventueel verzoek om verduidelijking (voor zover aan de orde) en opschorting van de termijn (4:15 Awb) nog tijd worden gewonnen door een iets langere termijn te geven voor het geven van een zienswijze op de voorgenomen openbaarmaking (6 lid 3 Wob).

2. Welke mogelijkheden bestaan er om tijd te winnen ten aanzien van het beslissen op een bezwaarschrift?

Afhankelijk van het hebben van een bezwaarschriftencommissie geldt in beginsel een termijn van 6 weken (geen bezwaarschriftencommissie) of 12 weken (wel een bezwaarschriftencommissie). Aspecten die normale termijnen verlengen zijn bijvoorbeeld de opschorting omdat slechts is volstaan met een pro forma bezwaarschrift. Verder kent de wet de mogelijkheid voor het bestuursorgaan om de beslistermijn eenzijdig en eenmalig met maximaal 6 weken verdagen (7:10 lid 3 Awb). Een motivering voor het verdagen is niet nodig. Wel is vereist dat de verdaging aan de bezwaarmaker wordt medegedeeld voor het verstrijken van de initiële beslistermijn.

Uitstel van de beslistermijn is ook mogelijk. De redenen zijn door de wet genoemd. Dit kan alleen wanneer (i) alle belanghebbenden daarmee instemmen, (ii) de bezwaarmaker daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen geraakt worden of (iii) ter naleving van wettelijke procedurevoorschriften. Ook hier geldt dat uitstel alleen aan de orde is als dat voor het verstrijken van de initiële beslistermijn gebeurt.

Wanneer opschorting en verdaging niet meer mogelijk zijn en wanneer de bezwaarmaker niet instemt met uitstel, wordt het lastiger. De overmachtsbepaling ten aanzien van het beslissen op aanvragen is ook hier van toepassing. Het bevoegd gezag kan zich dus ook in bezwaar beroepen op overmacht wanneer aan de van toepassing zijnde eisen is voldaan. Maar zoals ook in het antwoord op de vraag over de beslistermijnen bij aanvragen is opgemerkt, is het niet vanzelfsprekend dat de uitbraak van het coronavirus het op dit moment onmogelijk maakt voor bestuursorganen om tijdig besluiten te nemen.

3. Hoe voldoe je in bezwaar aan de wettelijke eisen van de hoorplicht zonder dat een (fysieke) hoorzitting kan plaatsvinden?

Bestuursorganen hebben de plicht bezwaarmakers te horen en zijn in principe gebonden aan beslistermijnen (tenzij dus – kort gezegd – belanghebbenden instemmen met uitstel of een beroep op overmacht zou kunnen slagen). Als alternatief voor een hoorzitting in de vorm van een fysieke bijeenkomst, kan worden gedacht aan telefonisch horen.

Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“de Afdeling”) volgt dat telefonisch horen is toegestaan. Dit neemt niet weg dat het soms niet wenselijk is dat er telefonisch wordt gehoord. Dit kan aan de orde zijn bij het horen door een externe adviescommissie. Omdat bij het horen door een externe adviescommissie verschillende partijen en personen moeten worden betrokken, is het naar het oordeel van de Afdeling met het oog op het belang van een overzichtelijk en zorgvuldig verloop van het horen gerechtvaardigd dat geen gelegenheid wordt geboden voor telefonisch horen. Nieuwe technische mogelijkheden voor het met meerdere partijen video vergaderen zoals Microsoft Teams e.d. zouden hiervoor ons inziens een oplossing kunnen bieden.

Daarnaast kan het dus voorkomen dat de bezwaarmaker niet instemt met het telefonisch horen. In dat geval rest niets anders dan zonder horen te beslissen. Wanneer daar dan beroep tegen ingesteld wordt, wordt dit gebrek in beginsel gepasseerd.

4. Hoe kunnen bestuursorganen rechtmatig besluiten nemen als het vereiste quorum niet kan worden gehaald?

Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (“BZK”) heeft in verband met de uitbraak van het coronavirus aanbevolen om (raads)vergaderingen die niet strikt noodzakelijk zijn uit te stellen. In dit geval wordt in ieder geval bedoeld vergaderingen waarin geen formele besluitvorming zal plaatsvinden, maar besluitvorming die geen noodzakelijk karakter heeft.

De besluitvorming die wel noodzakelijk is en dus gewoon doorgang moet vinden, moet aan alle formaliteitsvereisten uit de Gemeentewet (en de Provinciewet) blijven voldoen. Zo mag beraadslaging van gemeenteraden en Provinciale Staten wel digitaal plaatsvinden, maar mag besluitvorming niet digitaal. Hierop geldt echter een uitzondering: als in een digitale beraadslaging door geen enkel raadslid om stemming over een voorstel wordt gevraagd, is het op grond van artikel 32, derde lid, van de Gemeentewet/Provinciewet aangenomen. Die mogelijkheid geldt overigens niet voor stemmingen over personen, die zijn geheim en moeten daarom schriftelijk (artikel 31 Gemeentewet/Provinciewet), dat kan dus niet via een digitale beraadslaging.

Ten aanzien van vergaderingen van het college van burgemeester en wethouders (“B&W”) geldt dat deze in beginsel besloten zijn. Dit betekent dat deze vergaderingen in principe ook op afstand of digitaal kunnen plaatsvinden. Daarnaast is aan de leden van B&W vaak mandaat verleend om (voor bepaalde onderwerpen) namens B&W zelfstandig besluiten te nemen. Hiermee kan het aantal onderwerpen waarover B&W in vergadering moet beslissen worden beperkt, hetgeen in deze bijzonder tijden van de coronacrisis uitkomst kan bieden. Voor raadsleden en provincieleden is een mandaat niet mogelijk.

Op 9 april jl. is de wet in werking getreden die het tijdelijk (tot 1 november 2020) mogelijk maakt voor gemeenten, provincies en waterschappen om digitaal te vergaderen en te besluiten. Het betreft de Tijdelijke wet digitale beraadslaging en besluitvorming provincies, gemeenten, waterschappen en openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (“Tijdelijke wet”). De voorwaarde bij deze wet blijft dat de vergaderingen en de besluitvormingen openbaar te volgen blijven.

5. Welke eisen gelden voor digitale beraadslaging?

De wet stelt geen specifieke eisen aan digitale beraadslaging. Echter moet wel verzekerd zijn dat iedereen de mogelijkheid heeft om deel te nemen en dat van iedereen de identiteit moet kunnen worden vastgesteld. De beraadslaging zal daarnaast openbaar moeten zijn (artikel 23 Gemeentewet/Provinciewet), dus een live-videoverbinding die via internet te volgen is of rechtstreeks op televisie wordt uitgezonden, zeker als mogelijk gebruik gemaakt gaat worden van artikel 32, derde lid, van de Gemeentewet/Provinciewet. Sommige vergaderingen hoeven niet in het openbaar te geschieden (artikel 23 lid 3 Gemeentewet/Provinciewet). In dat geval is het echter belangrijk in de gaten te houden welke onderwerpen op de agenda staan. Artikel 24 bepaalt namelijk over welke onderwerpen niet in een besloten vergadering mag worden beraadslaagd (en besloten).

De nieuwe Tijdelijke wet digitale beraadslaging en besluitvorming die op 9 april 2020 in werking is getreden noemt de volgende voorwaarden:

  • Er dient sprake te zijn van videoconferencing die door de bevolking op afstand middels een live-verbinding kan worden gevolgd;
  • ieder lid dient afzonderlijk digitaal toegang te hebben tot de beraadslaging en stemming;
  • de leden dienen zichtbaar en hoorbaar herkenbaar te zijn op een zodanige wijze dat hun identiteit kan worden vastgesteld;
  • de voorzitter dient in staat te zijn de orde te handhaven.

6. Hoe moeten besluiten worden ondertekend als de daartoe bevoegde ambtenaren niet in de gelegenheid zijn een “natte handtekening” te plaatsen?

Besluiten dienen te zijn voorzien van een handtekening. Met de ondertekening van een besluit kan worden gewaarborgd dat dit besluit is genomen door de bevoegde persoon. De rechtsgeldigheid van een niet-ondertekend besluit kan op losse schroeven komen te staan indien er geen andere aanknopingspunten voorhanden zijn waaruit is af te leiden dat het besluit door de bevoegde persoon is genomen, zo volgt uit de rechtspraak.

Gekozen kan worden voor het gebruik van een elektronische handtekening (2:16 Awb). Op grond van de eIDAS-verordening en artikel 2:16, tweede lid, van de Awb, voldoet een elektronische handtekening wanneer deze "voldoende betrouwbaar" is. Bij het beoordelen of een elektronische handtekening voldoende betrouwbaar is, moet worden gelet op de aard en de inhoud van het bericht en het doel waarvoor het wordt gebruikt. Wanneer een elektronische handtekening derhalve voldoet aan deze eis, kan deze gelijk worden gesteld aan een “natte handtekening”.

Van belang in dit kader is echter dat deze gelijkstelling alleen geldt voor het geval ook sprake is van elektronische verzending van het document. Wanneer een elektronische handtekening wordt gebruikt voor het versturen van het besluit per post, zal dit besluit niet geldig zijn ondertekend.

Wanneer besluiten per post worden verzonden zal derhalve een “natte handtekening” zijn vereist. Nu het begrijpelijk is dat u als bestuursorgaan moeite heeft met de praktische kant van deze verplichting, is het voorstelbaar dat u ervoor zorgt dat mensen – waar mogelijk – worden gemandateerd te ondertekenen, voor wie het mogelijk is op kantoor aanwezig te zijn.

In aanvulling op het bovenstaande bestaan er uitspraken van de Afdeling (zie voor de meest recente: ECLI:NL:RVS:2020:950) waarin de Afdeling heeft overwogen dat een niet ondertekend besluit onder omstandigheden zijn rechtsgevolgen behoudt.

7. Hoe wordt voldaan aan de wettelijke vereisten om (ontwerp)besluiten ter inzage te leggen wanneer overheidsgebouwen gesloten zijn voor publiek?

Bestuursorganen hebben zich met betrekking tot terinzageleggingen te houden aan de wet. In beginsel leidt schending van de eis van tervisielegging van bestemmingsplannen gedurende zes weken bijvoorbeeld tot vernietiging van het bestemmingsplan. Louter digitale terinzagelegging wordt in de rechtspraak niet geaccepteerd.

Onder omstandigheden kan het gebrek in de terinzagelegging met toepassing van art. 6:22 Awb worden gepasseerd. Dat kan alleen indien aannemelijk is dat de belanghebbenden door de gebreken die kleven aan de terinzagelegging niet zijn benadeeld. Hoe korter de termijn van terinzagelegging hoe lastiger het zal zijn om dat te bewijzen. Het advies luidt dan ook om bij twijfel – nadat de maatregelen zijn opgeheven en alle gebouwen weer open zijn – opnieuw een kennisgeving te doen en het ontwerpbesluit opnieuw ter inzage te leggen. Een andere mogelijkheid is om de termijn van besluiten die nu ter inzage dienen te worden gelegd te verlengen met de duur van de huidige maatregelen. Het is denkbaar dat rechters een “gebrek” in zo een geval, waarbij door het bestuursorgaan uitdrukkelijk rekening is gehouden met de omstandigheden, overwegen te passeren. Van belang is dat alleen digitale terinzagelegging niet zal worden gepasseerd.

8. Moet bij handhavingsbesluiten rekening worden gehouden met deze crisissituatie?

Een sanctie mag alleen worden opgelegd als de burger of het bedrijf het in zijn/haar macht heeft de overtreding ongedaan te maken (5:1 Awb). De burger of het bedrijf zal dus moeten bewijzen dat dat gelet op de coronacrisis niet het geval is. Dit zal van de omstandigheden afhangen of men zich hier met succes op kan beroepen. Bijvoorbeeld in het geval van een opgelegde last waarbij een roerend goed dat zich in de openbare ruimte bevindt dient te worden verwijderd is dit moeilijk voor te stellen: iedereen mag op dit moment nog gewoon naar buiten en is dus in staat illegaal geplaatste goederen te verwijderen. Indien de overheidsmaatregelen zodanig worden aangescherpt dat onze vrijheid verder wordt ingeperkt, wordt het steeds moeilijker situaties te bedenken waarbij de overtreder het in zijn/haar macht heeft de overtreding ongedaan te maken. In dat soort situaties moet dus scherper worden nagedacht of de sanctie ook daadwerkelijk kan worden opgelegd.

Ten aanzien van sancties die al zijn opgelegd, en waarbij gelet op de coronacrisis is gebleken dat de begunstigingstermijn voor de overtreder niet haalbaar is, kan het bestuursorgaan de last opheffen, opschorten of verminderen. De overtreder zelf kan hierom verzoeken (5:34 lid 1 Awb) en moet daarbij bewijzen dat sprake is van een tijdelijke onmogelijkheid om aan de verplichtingen te voldoen. Los van het verzoek van de overtreder hebben bestuursorganen zelf ook mogelijkheden om een gegeven dwangsombeschikking te wijzigen. In een tussentijds wijzigingsbesluit kan het bestuursorgaan de begunstigingstermijn bijvoorbeeld verlengen (5:32a lid 2 Awb). Indien de bezwaarprocedure tegen de beschikking nog loopt kan in de beslissing op bezwaar ook een gehele nieuwe begunstigingstermijn worden gesteld. Bij het nemen van een tussentijds wijzigingsbesluit moeten bestuursorganen zich wel realiseren dat hiertegen ook weer apart rechtsmiddelen open staan.

9. Hoe kan de naleving van de maatregelen uit noodverordeningen worden gehandhaafd?

In en bij de noodverordeningen wordt ook bepaald hoe de bepalingen uit de verordeningen worden gehandhaafd. Het lastige is wel dat niet alle veiligheidsregio’s dezelfde maatregelen nemen en dat de noodverordeningen onderling dus afwijken. Met het op de noodverordening van de Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid gebaseerde aanwijzingsbesluit is bijvoorbeeld bepaald dat de politieambtenaren en BOA’s van de verschillende gemeenten bevoegd zijn handhavend op te treden ten aanzien van wat in de noodverordening is bepaald. Ook militairen van de Koninklijke marechaussee zijn bevoegd.

Indien de noodverordening niet wordt nageleefd, dan kan feitelijke handhaving van de openbare orde dus plaatsvinden door de politie en/of de Koninklijke marechaussee. Daarbij kunnen opsporingsambtenaren een proces-verbaal uitschrijven voor overtreding van artikel 443 van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van de hoogte van op te leggen boetes sprak het kabinet in de persconferentie van 23 maart 2020 over boetes van EUR 400,00 voor particulieren en EUR 4.000,00 voor bedrijven, maar die bedragen zijn niet zo terug te vinden in de noodverordeningen. De hoogste straf is een boete van EUR 4.350,00 of drie maanden cel.

Daarnaast is het mogelijk een last onder dwangsom op te leggen wanneer een overtreding is geconstateerd en herhaling daarvan voorkomen moet worden. De Veiligheidsregio Brabant-Noord heeft dat concreet gemaakt door een handhavingskader op te stellen. Daaruit volgt per voorschrift uit de noodverordening de mogelijke straf en onderscheid wordt gemaakt tussen de strafrechtelijke boete en de bestuursrechtelijke dwangsom.

Dat in de praktijk ook daadwerkelijk handhavend wordt opgetreden ten aanzien van de noodmaatregelen is ook al gebleken. Op zaterdag 14 maart 2020 hebben politie en handhavers in het Gelderse Druten ingegrepen toen ontdekt werd dat een bruiloft werd gevierd waarbij circa 150 personen aanwezig waren. Er zou ook een sanctie zijn opgelegd. De noodverordening van de veiligheidsregio Gelderland-Zuid, die diezelfde ochtend in werking was getreden, bepaalde namelijk dat bijeenkomsten van meer dan 100 mensen verboden zijn.

Ook naar aanleiding van de aangescherpte noodmaatregelen is al opgetreden, bijvoorbeeld door boetes op te leggen aan de vliegtuigspotters van de laatste landing van de KLM-Boeing 747.

10. Welke bevoegdheden heeft de burgemeester in deze crisissituatie?

De bevoegdheden van de lokale burgemeesters ter bestrijding van het coronavirus zijn beperkt, aangezien in deze situatie de voorzitter van de veiligheidsregio op grond van artikel 39 van de Wet op de Veiligheidsregio’s (“Wvr”) bij uitsluiting bevoegd is om aan de artikelen 172 tot en met 177 van de Gemeentewet – met uitzondering van artikel 176, derde tot en met zesde lid; uit de Gemeentewet – toepassing te geven. De overgang van bevoegdheden heeft alleen betrekking op situaties van meer dan lokale betekenis. Elke betrokken burgemeester kan nog steeds van zijn bevoegdheden gebruikmaken in verband met lokale verstoringen en ongevallen, uiteraard waar nodig in afstemming met de voorzitter.

De lokale burgemeesters blijven daarnaast ook betrokken bij de bestrijding van het coronavirus. Zij hebben zitting in het door de voorzitter bijeen te roepen regionaal beleidsteam (“RBT”) (artikel 39 lid 2 Wvr). De voorzitter neemt alleen een besluit nadat hij het RBT daarover heeft geraadpleegd (tenzij de vereiste spoed zich daartegen verzet). Daarbij verschaft artikel 39 lid 4 Wvr een burgemeester de mogelijkheid om schriftelijk bezwaar te maken indien hij van oordeel is dat het voorgenomen besluit het belang van zijn gemeente onevenredig schaadt.

Ten slotte heeft bijvoorbeeld de voorzitter van de veiligheidsregio Midden- en West-Brabant de bevoegdheid tot het opleggen en invorderen van een last onder dwangsom en het opleggen van een last onder dwangsom op grond van de noodverordening aan de burgemeesters binnen de veiligheidsregio gemandateerd. Daarmee krijgen de burgemeesters een grotere rol in de lokale handhaving.

11. Valt te verwachten dat met succes verzoeken om nadeelcompensatie kunnen worden ingediend ten gevolge van schade door de corona-overheidsmaatregelen?

Tot nu toe zijn natuurlijk al veel overheidsmaatregelen genomen om de verspreiding van het virus tegen te gaan. Om de negatieve gevolgen hiervan enigszins te ondervangen heeft het kabinet een noodpakket aangekondigd voor ondernemers. Ondanks dat het noodpakket vergaande financiële hulpmiddelen bevat, blijft de kans bestaan dat ondernemers tussen wal en schip vallen en hevig door de maatregelen worden getroffen. In dat geval is het denkbaar dat zij een verzoek zullen indienen om nadeelcompensatie.

Recht op nadeelcompensatie bestaat alleen als een burger of ondernemer (of een beperkte groep burgers/ondernemers) in vergelijking met anderen onevenredig zwaar wordt getroffen. Er moet sprake zijn van een last die uitstijgt boven het normaal maatschappelijk risico of normaal ondernemersrisico (“abnormale last”), en die een beperkte groep burgers/ondernemers bijzonder zwaar treft in vergelijking met anderen die in een vergelijkbare positie zitten (“speciale last”).

In de situatie van de coronacrisis zal vooral de vraag of sprake is van een speciale last een moeilijk te nemen hobbel zijn. Immers wordt iedereen getroffen door de uitbraak van het coronavirus en de maatregelen die als gevolg daarvan getroffen zijn. Er kunnen situaties worden bedacht waarin de maatregelen burgers/ondernemers (of een beperkte groep) zwaarder treffen dan anderen in een vergelijkbare situatie, maar naar onze inschatting zal dit gaan om een zeer beperkte groep. Daar komt bij dat verschillen in financiële draagkracht van de ondernemer bij nadeelcompensatie in beginsel geen rol spelen. In ieder geval moet bij ieder verzoek dus goed worden getoetst op het vereiste van de speciale last.

12. Kunnen overheden ondernemingen tijdens de coronacrisis steunen zonder verboden staatssteun?

Overal schieten compensatieregelingen de grond uit. Overheden willen zwaar getroffen sectoren te hulp schieten. Dat is begrijpelijk, maar wel willen wij overheden meegeven bij het treffen van compensatieregelingen altijd rekening te houden met de regelingen omtrent verboden staatssteun.

Als eerste kan worden gewezen op de mogelijkheden van toepassing van de minimisregeling. In zijn algemeenheid gaat het daarbij om een maximum aan steun aan een onderneming van niet meer dan EUR 200.000,00 per drie jaar.

Ten tweede heeft de Europese Commissie op 19 maart 2020 een tijdelijke kaderregeling bekend gemaakt inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige coronacrisis. Gelet op deze tijdelijke kaderregeling zal de Europese Commissie de volgende steunmaatregelen na melding goedkeuren, mits deze voldoen aan de in de kaderregeling opgenomen voorwaarden:

  • Steun in de vorm van subsidies, terugbetaalbare voorschotten of belastingvoordelen met een maximum van EUR 800.000,-- (een aanzienlijke verruiming in vergelijking met de “reguliere” de minimis);
  • overheidsgaranties voor bestaande leningen, eventueel met tussenkomst van financiële instellingen;
  • overheidsleningen met een gesubsidieerd rentepercentage; en
  • kortlopende exportkredietverzekeringen.

Ten derde kan worden gewezen op de mogelijkheid om steun te verlenen, die openstaat voor alle ondernemingen die aan bepaalde criteria voldoen. In dat geval is geen sprake van een selectief voordeel, hetgeen vereist is om van staatssteun te kunnen spreken. Een voorbeeld is de huidige regeling voor werktijdverkorting. In het tijdelijk handelingskader noemt de Europese Commissie niet-selectieve maatregelen als eerste mogelijkheid om ondernemingen rechtmatig te steunen.

Tot slot is van belang, dat staatssteun vereist dat deze de handel tussen lidstaten van de EU beïnvloedt. Ondersteuning van lokale ondernemers (zoals lokale horeca en/of kleine culturele instellingen) heeft waarschijnlijk geen effect op de handel tussen lidstaten en leidt dus in beginsel niet tot staatssteun.

Voor de toepassing van bovengenoemde maatregelen is telkens voorzichtigheid en een zorgvuldige beoordeling geboden. De regels van het staatssteunrecht zijn, ook in deze corona-tijden, streng en omzeiling van het verbod op ongerechtvaardigde staatssteun zal naar verwachting niet worden geaccepteerd.