Alle blogs

Arbo-boete; is wel sprake van een overtreding?

In een tweetal recente uitspraken heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“de Afdeling”) zich uitgelaten over de vraag of bij de oplegging van een bestuurlijke boete (“boete”) wel sprake is van een overtreding. Daarbij ging het telkens om artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (“Arbobesluit”).

Artikel 3.17 van het Arbobesluit, wat regelt dat eigenlijk?

Het artikel is gericht op het voorkomen van het gevaar te worden getroffen of bekneld te raken en luidt als volgt:

“Het gevaar te worden getroffen of geraakt door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan dan wel vloeistoffen of gassen, of het gevaar bekneld te raken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan, wordt voorkomen en indien dat niet mogelijk is zoveel mogelijk beperkt. Artikel 3.16, vijfde lid, laatste volzin, is van toepassing.”

In dit blog wordt ingegaan op de vraag wanneer artikel 3.17 volgens de Afdeling is overtreden, waarbij de onderstreepte passage een grote rol speelt. In een eerder blog is al ingegaan op de verschillende manieren om op te komen tegen een boete.

Afdeling 28 februari 2018

In deze uitspraak draaide het om een boete van EUR 21.600,-. Aanleiding voor de boete was gelegen in het voorval waarbij een ingeleende werknemer door een uitvallende autoband. Deze viel uit een zeecontainer bij het openen van de container. Een overtreding van artikel 3.17 aldus de minister van SZW.

De Afdeling is het eens met de rechtbank Rotterdam. Zij vindt namelijk ook dat de werkgever het valgevaar (van de banden) zoveel mogelijk heeft beperkt. Van een overtreding van artikel 3.17 is dus geen sprake.

Belangrijke aspecten hierbij zijn volgens de Afdeling, dat:

  • de werknemers gezien de aard van de werkzaamheden en hun opleiding bekend zijn met het gevaar van uit de container vallende lading;
  • die werkzaamheden bestaan uit het meerdere malen per dag openen van de deuren van containers met auto- en truckbanden;
  • de deuren van de containers maar op een manier geopend kunnen worden;
  • de werkgever met leveranciers afspraken heeft gemaakt over het beperken van valgevaar door de banden in kettingslag te laden;
  • alle chauffeurs de nascholingscursus “Code 95” hebben gevolgd, waarin het laden, lossen en zekeren van lading aan bod komt;
  • de werkgever iedere chauffeur een interne cursus geeft, waarbij met een ervaren chauffeur wordt meegereden;
  • uit de verklaringen in het boeterapport volgt dat in de praktijk voldoende toezicht wordt gehouden doordat sprake is van doorlopend toezicht door verschillende afdelingschefs. Daarbij werden fouten gecorrigeerd en werd iemand die zich niet aan de voorschriften hield weggestuurd.

Van een boete kan dan ook geen sprake zijn, aldus de Afdeling.

Afdeling 21 maart 2018

In een ander geval ging het om een gematigde boete van EUR 4.500,-. Aanleiding vormde een beknelde rechtervoet van een werknemer. Dit gebeurde bij het voor een tweede keer verplaatsen en neerzetten van een container van ± 24.000 kg.

In beroep achtte de rechtbank Zeeland-West-Brabant overtreding van artikel 3.17 aan de orde. Daarnaast meende de rechtbank dat de minister ten onrechte de matigingsgronden uit de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving (“Beleidsregel”) – waarover Marcel Smit en Cornelis van der Sluis eerder een blog schreven – niet heeft toegepast. De rechtbank acht de matigingsgronden (i) het creëren van de noodzakelijke randvoorwaarden en een veilige werkwijze, (ii) adequate instructies en (iii) adequaat toezicht aanwezig en matigt dus de boete van EUR 18.000,- met 75% tot EUR 4.500,-

In hoger beroep stelt de werkgever dat hij het knelgevaar zoveel mogelijk heeft beperkt en dus geen sprake van overtreding van artikel 3.17 aan de orde is. De Afdeling beoordeelt deze stelling en overweegt:

“Deze beoordeling hangt in dit geval samen met hetgeen [appellante sub 2] en de minister in hoger beroep over de in artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel vermelde inspanningen hebben aangevoerd, zodat het aldus aangevoerde daarbij zal worden betrokken.”

Uiteindelijk oordeelt de Afdeling dat de werkgever het knelgevaar zoveel mogelijk heeft beperkt. Dat volgt volgens de Afdeling uit de volgende omstandigheden:

  • de werkgever heeft zijn werknemers een instructie verstrekt over de wijze waarop dient te worden omgegaan met de container;
  • deze instructie is aan iedere werknemer mondeling verstrekt (en na het ongeval schriftelijk vastgelegd), wat ook blijkt uit de verklaringen van getuigen in het boeterapport;
  • op het terrein van de werkgever hangen aanplakbiljetten waarop wordt gewaarschuwd uit de buurt te blijven van containers waarmee wordt gemanoeuvreerd;
  • uit het boeterapport volgt dat, gezien de eenvoudige en overzichtelijke aard van de werkzaamheden volgt, de risico’s voldoende zijn geïnventariseerd;
  • de werkgever heeft reflecterende hesjes aan zijn werknemers verstrekt, zodat zij voldoende zichtbaar zijn bij het uitvoeren van de instructie;
  • de shiftleader heeft met een bedrijfsauto over het terrein gereden om toezicht te houden op het gevolg geven aan de instructie;
  • alle heftruckchauffeurs en shiftleaders beschikten over een portofoon om met elkaar te communiceren en de operation-manager heeft zicht op de camerabeelden van het gehele terrein.

Ook nu dus geen boete.

Conclusie

De Afdeling beoordeelt het “zoveel mogelijk beperken” in de uitspraak van 28 februari 2018 impliciet en in de uitspraak van 21 maart 2018 expliciet in het licht van de Beleidsregel en de daarin genoemde matigingsgronden. De uitspraken zijn in lijn met eerdere uitspraken uit 2006 en 2013 van de Afdeling en een reactie op de zeer algemene toelichting in de wetsgeschiedenis op artikel 3.17. Dat neemt niet weg dat het systematisch wat vreemd is. Bij een vermeende overtreding en de bestrijding van een boete wordt immers allereerst bezien of sprake is van een overtreding, vervolgens of matigingsgronden van toepassing zijn en ten slotte of het evenredigheidsbeginsel noopt tot matiging van de boete. Nu worden de matigingsgronden meer op de voorgrond gezet.

Anderzijds biedt de Afdeling werkgevers met deze beoordelingswijze een dubbele mogelijkheid de boete te bestrijden. Wanneer niet aan alle matigingsgronden is voldaan in het kader van het “zoveel mogelijk voorkomen”, is het mogelijk om voor de matigingsgronden waaraan wel is voldaan 25% matiging per matigingsgrond te verkrijgen. In die zin blijft het systematisch wat vreemd, maar creëert de benadering van de Afdeling ook kansen om (succesvol) op te komen tegen een boete. Dat laatste is nogal eens kansrijk, zoals Cornelis van der Sluis eerder toelichtte in een blog.

Op de hoogte blijven?

Ontvang de laatste updates op dit rechtsgebied maandelijks in je inbox.

Misschien ook interessant?

Bestuurlijke boetes: hoe nu verder?

3 mei 2019 - Naar aanleiding van een advies van de Afdeling advisering van de Raad van State uit 2015 over sanctiestelsels in het…

Bestuurlijke boetes: hoe nu verder?

Geluid, frites en de Omgevingswet

16 mei 2019 - Al jaren wordt gesproken over de Omgevingswet. Die had eigenlijk al dit jaar, in 2019, in werking moeten treden. Volgens…

Geluid, frites en de Omgevingswet

Wat komt er kijken bij de berekening van geleden inkomensschade?

18 april 2019 - Op 10 april 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) een uitspraak gedaan inzake een…

Wat komt er kijken bij de berekening van geleden inkomensschade?
Interessant artikel?

De laatste updates rechtstreeks in je inbox.