Alle blogs

Planologische besluitvorming binnen het kader van de goede ruimtelijke ordening

Recent heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State twee interessante uitspraken gedaan over het beoordelingskader en de afwegingsruimte van het gemeentebestuur bij planologische beslissingen.

Uit artikel 3.1, eerste lid Wet ruimtelijke ordening volgt dat de gemeenteraad een bestemmingsplan vaststelt waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Leidend is derhalve de goede ruimtelijke ordening. Vaste overweging van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: “de Afdeling bestuursrechtspraak”) in de jurisprudentie is dan ook dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan bestemmingen moet aanwijzen en regels moet geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling bestuursrechtspraak beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Uit twee uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van 10 januari 2018 komt nog eens naar voren dat deze beoordeling niet afhankelijk mag worden gesteld van factoren die geen relatie hebben met een goede ruimtelijke ordening.

De eerste uitspraak ziet op de vaststelling van een bestemmingsplan door de raad van de gemeente Wassenaar. Het betreft een paraplubestemmingsplan met een uniforme regeling voor de bescherming en ontwikkeling van cultureel erfgoed binnen de gemeente. Met de vaststelling van het bestemmingsplan wordt de planregeling aan alle binnen de gemeente geldende bestemmingsplannen toegevoegd. De voor Waarde-Cultuurhistorie-karakteristieke (of beeldbepalende) zaak aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoud en zo mogelijk de versterking van de aan deze gronden eigen zijnde cultuurhistorische waarden zoals beschreven in de bijlage bij de planvoorschriften. Bouwen op gronden met deze bestemming is mogelijk indien de aanwezige cultuurhistorische waarden niet worden aangetast. Het bevoegd gezag laat zich bij de beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning adviseren door de Commissie Welstand Cultureel Erfgoed of een andere door het bevoegd gezag aan te wijzen commissie van onafhankelijk deskundigen. Voor het verlenen van een omgevingsvergunning is een positief advies van deze deskundigen of Commissie Welstand voorwaardelijk.

Deze regeling komt erop neer dat het college van burgemeester en wethouders nooit een omgevingsvergunning kan verlenen indien de Commissie Welstand of een andere aangewezen commissie van onafhankelijke deskundigen niet positief heeft geadviseerd. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat dit in strijd is met het stelsel van de wet. Het is immers aan het college van burgemeester en wethouders om de uiteindelijke afweging te maken of wel of geen vergunning wordt verleend. De afweging wordt op deze manier echter verlegd naar een andere commissie, waarbij bovendien niet de goede ruimtelijke ordening maar de cultuurhistorische waarden het uitgangspunt zijn.

De tweede uitspraak ziet op de vaststelling van het bestemmingsplan “Landelijk Gebied 2015” door de raad van de gemeente Aalten. Een machinefabriek heeft een deel van de agrarische gronden die achter het bedrijf zijn gelegen in strijd met het vorige bestemmingsplan bestraat en in gebruik genomen als parkeerterrein. De fabriek heeft verzocht deze gronden te bestemmen als bedrijfsbestemming om het bestaande parkeerterrein te legaliseren. De bewoners die naast het parkeerterrein wonen, hebben hier bezwaar tegen. De machinefabriek en de betreffende bewoners hebben onderhandeld om te zien of er een oplossing zou kunnen worden gevonden. De raad heeft de bestemming van de gronden afhankelijk gesteld van de uitkomst van deze onderhandelingen. Toen het overleg op niets uitliep, heeft de raad de bestemming “Agrarisch”, die ook al gold op grond van het vorige plan, aan de gronden toegekend.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de raad de planologische besluitvorming ten onrechte heeft laten afhangen van de uitkomsten van de onderhandelingen en niet de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het parkeerterrein zelf heeft beoordeeld. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan worden de diverse belangen afgewogen, ook die van omwonenden. De omwonenden hebben bezwaar tegen het parkeerterrein, omdat zij geluidhinder vrezen. Dit houdt echter niet in dat het parkeerterrein om die reden vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet aanvaardbaar kan worden geacht. Zo kunnen in het bestemmingsplan ook geluidwerende maatregelen worden opgenomen (bij voorbeeld een geluidscherm). De raad heeft echter over het parkeerterrein geen ruimtelijke afweging gemaakt. Dit leidt tot het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak dat het besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Uit deze twee voorbeelden blijkt dat een bestuursorgaan zijn eigen koers moet volgen en – hoe verleidelijk soms ook – de vaststelling van planologische besluiten niet afhankelijk kan stellen van het oordeel van andere deskundigen of ontwikkelingen die geen relatie hebben met een goede ruimtelijke ordening. Andersom geldt dat belanghebbenden zich zullen moeten realiseren dat een bestuursorgaan gehouden is binnen het afwegingskader van de goede ruimtelijke ordening de belangen af te wegen en een beslissing te nemen over het bestemmingsplan.

Op de hoogte blijven?

Ontvang de laatste updates op dit rechtsgebied maandelijks in je inbox.

Misschien ook interessant?

Parkeernormen in het bestemmingsplan

17 mei 2018 - Met de inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014 is artikel 8, vijfde lid, van de Woningwet komen te vervallen. Hierdoor…

Parkeernormen in het bestemmingsplan
Interessant artikel?

De laatste updates rechtstreeks in je inbox.